29 september 2026

Jarenlang draaide digitale geletterdheid vooral om een relatief eenvoudige vraag: kunnen studenten met computers en internet werken?

In het tijdperk van generatieve AI verandert die vraag volledig.

Een student kan inmiddels een tekst laten schrijven, code laten programmeren, een analyse laten uitvoeren en complexe informatie laten uitleggen. Daardoor wordt een nieuwe vaardigheid belangrijk: begrijpen wat AI doet, waar het systeem fout kan gaan en wanneer een mens zelf moet ingrijpen.

Europa begint die verandering nu officieel in het onderwijs te verwerken.

De Europese Commissie meldde vorige week dat bijna twee derde van de Europese onderwijssystemen AI inmiddels behandelt in nationale strategieën, richtlijnen of beleidskaders. Tegelijkertijd blijven grote verschillen bestaan in toegang tot geavanceerde AI en in de ondersteuning die docenten krijgen.

De discussie gaat daarmee een nieuwe fase in.

Niet langer: moeten studenten AI gebruiken?

Maar:

hoe leer je een generatie mensen om intelligent samen te werken met machines die soms overtuigend fout zitten?

AI-geletterdheid wordt een echte onderwijsvaardigheid

De Raad van Europa heeft deze maand een nieuwe aanbeveling over AI-geletterdheid aangenomen.

Daarin worden 22 leidende principes genoemd rond onder meer fundamenteel begrip van AI, mensenrechten en menselijke waardigheid, democratie en rechtsstaat, en kritisch denken en maatschappelijk handelingsvermogen.

Dat is belangrijk omdat AI-geletterdheid daarmee wordt gezien als iets dat verder gaat dan weten hoe ChatGPT werkt.

Een student moet bijvoorbeeld kunnen begrijpen dat een AI-model geen menselijke expert is.

Het model voorspelt output op basis van patronen.

Dat betekent dat een antwoord overtuigend kan klinken en toch fout kan zijn.

De nieuwe supervaardigheid is misschien twijfel

Dat klinkt eenvoudig, maar het is in de praktijk moeilijk.

Mensen zijn geneigd vertrouwen te geven aan systemen die zelfverzekerd communiceren.

Generatieve AI is daar extreem goed in.

Een fout antwoord wordt vaak niet gepresenteerd als een twijfelachtige suggestie.

Het wordt geschreven alsof het vaststaat.

Daarom zal onderwijs studenten steeds meer moeten leren om AI-output te behandelen als een hypothese die gecontroleerd moet worden.

Een AI-antwoord is niet het eindpunt.

Het is het begin van verificatie.

VUB trekt die lijn al door naar het hele universitaire systeem

De Vrije Universiteit Brussel kondigde bij de start van het academische jaar vier concrete uitgangspunten aan.

Iedere afgestudeerde moet AI-geletterd zijn. Opleidingen moeten kritisch worden aangepast aan het AI-tijdperk. Toetsing moet worden herzien. En de universiteit wil voorkomen dat toegang tot krachtige AI nieuwe onderwijsongelijkheid creëert.

Dat laatste punt is bijzonder relevant.

Want AI kan onderwijs democratiseren, maar ook ongelijkheid vergroten.

Een student met toegang tot de nieuwste modellen, betaalde AI-diensten en krachtige computers heeft mogelijk andere mogelijkheden dan iemand die alleen een gratis model kan gebruiken.

Daarmee ontstaat een nieuwe digitale kloof.

Niet meer:

wie heeft internet?

Maar:

wie heeft toegang tot de beste AI?

Ook docenten moeten opnieuw worden opgeleid

De Europese Commissie constateert dat leraren steeds vaker digitale vaardigheden krijgen in hun opleiding, maar dat er nog belangrijke gaten bestaan, onder meer rond gepersonaliseerd leren, het beoordelen van online informatie en het gebruik van AI.

Dat is misschien een van de grootste obstakels.

Een school kan wel AI-beleid invoeren, maar wanneer een docent niet weet hoe AI werkt, blijft het beleid oppervlakkig.

Een docent moet niet noodzakelijk AI-onderzoeker worden.

Maar hij moet wel kunnen herkennen:

wanneer AI hallucineert;

wanneer een bron niet bestaat;

wanneer een antwoord bevooroordeeld is;

wanneer een leerling te afhankelijk wordt van AI;

en wanneer AI juist een uitstekend hulpmiddel is.

Dat vraagt om een heel andere vorm van professionele ontwikkeling.

Het examen gaat daardoor veranderen

De klassieke toets is kwetsbaar geworden.

Een student krijgt een opdracht mee naar huis, schrijft een essay en levert het in.

Maar in een wereld waarin AI binnen seconden een volledig essay kan produceren, zegt het eindproduct steeds minder over het denkproces.

Daarom zullen opleidingen waarschijnlijk steeds vaker moeten kijken naar hoe studenten tot een antwoord komen.

Een student kan bijvoorbeeld een AI-systeem gebruiken, maar vervolgens moeten uitleggen:

  • welke informatie de AI heeft geleverd;
  • welke informatie niet betrouwbaar was;
  • welke bronnen zijn gecontroleerd;
  • welke keuzes de student zelf heeft gemaakt;
  • en waarom het uiteindelijke antwoord anders is dan de eerste AI-output.

AI wordt dan niet verboden.

Het wordt onderdeel van het examen.

Maar de student wordt beoordeeld op wat hij of zij met AI kan doen.

UNESCO waarschuwt ondertussen voor een veel grotere kwestie

De discussie beperkt zich niet tot Europese universiteiten.

Tijdens UNESCO’s Digital Learning Week 2026 kwamen onderwijsministers uit meer dan 25 landen bijeen. Zij riepen op om onderwijs in het AI-tijdperk te blijven behandelen als een publiek goed en benadrukten publieke verantwoordelijkheid, overleg en de rechten van leerlingen en docenten bij de invoering van AI.

Daarmee komt een fundamentele vraag op tafel.

Wie bepaalt hoe AI in het onderwijs wordt gebruikt?

De technologiebedrijven?

De scholen?

De overheid?

De docenten?

Of de samenleving als geheel?

AI kan het onderwijs ook persoonlijker maken

Het verhaal is namelijk niet alleen negatief.

AI kan een docent helpen om één les aan te passen aan verschillende niveaus.

Een leerling kan extra uitleg krijgen over een onderwerp waar hij moeite mee heeft.

Een andere leerling kan juist moeilijkere oefeningen krijgen.

AI kan bovendien helpen om informatie toegankelijker te maken voor studenten die moeite hebben met traditionele vormen van onderwijs.

De technologie kan daarmee een soort persoonlijke digitale tutor worden.

Maar ook hier geldt: de kwaliteit van de AI bepaalt niet automatisch de kwaliteit van het leren.

Een leerling kan een antwoord krijgen zonder het concept werkelijk te begrijpen.

Daarom blijft de docent belangrijk.

De docent krijgt misschien juist een belangrijkere rol

Dat klinkt paradoxaal.

Als AI steeds meer uitleg kan geven, waarom zou een school dan meer menselijke begeleiding nodig hebben?

Omdat onderwijs meer is dan informatieoverdracht.

Een docent ziet wanneer een leerling vastloopt.

Een docent kan motivatie opbouwen.

Een docent kan een discussie leiden.

Een docent kan herkennen dat een leerling een probleem op een onverwachte maar interessante manier benadert.

En een docent kan uitleggen waarom een antwoord inhoudelijk misschien klopt, maar toch niet goed genoeg is.

AI kan kennis leveren.

Maar onderwijs draait ook om leren denken.

De grootste verandering komt misschien buiten het klaslokaal

De huidige generatie studenten gaat later werken in een omgeving waarin vrijwel ieder kennisberoep AI gebruikt.

De student van vandaag wordt de arts, advocaat, programmeur, onderzoeker, journalist, ingenieur of manager van morgen.

Als die mensen AI alleen leren gebruiken als een snelle tekstgenerator, heeft het onderwijs een probleem.

Als ze leren hoe ze AI kritisch kunnen inzetten, fouten kunnen herkennen en verantwoordelijkheid kunnen blijven nemen, ontstaat een heel andere situatie.

Daarom verschuift de betekenis van onderwijs.

Vroeger was een belangrijk doel:

kennis onthouden.

Daarna werd het:

informatie kunnen vinden.

In het AI-tijdperk wordt het steeds meer:

kunnen beoordelen welke informatie betrouwbaar is, goede vragen kunnen stellen en verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het uiteindelijke antwoord.

Dat is misschien wel de belangrijkste les die AI het onderwijs tot nu toe heeft gegeven.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *