30 september 2026
Nederland gaat een volgende fase in met kunstmatige intelligentie in het onderwijs. Het kabinet heeft voor 2027 €10,7 miljoen beschikbaar gesteld voor een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs. Daarmee moeten scholen toegang krijgen tot AI-modellen die zij op een veilige en verantwoorde manier kunnen gebruiken, zonder volledig afhankelijk te worden van één commerciële aanbieder.
Het klinkt als een investering in technologie.
Maar de ontwikkeling zegt eigenlijk iets veel groters over de richting waarin het Nederlandse onderwijs beweegt.
AI wordt namelijk niet langer behandeld als een experiment dat individuele scholen zelf moeten uitzoeken. De overheid begint AI steeds meer te benaderen als een structureel onderdeel van de onderwijsinfrastructuur.
En daarmee verandert ook de vraag.
Het gaat niet meer alleen om of scholen AI mogen gebruiken.
Het gaat steeds meer om de vraag onder welke voorwaarden scholen dat verantwoord kunnen doen.
Een publieke AI-voorziening voor scholen
Het kabinet stelt dat AI leraren en leerlingen kan helpen in de klas, maar dat scholen erop moeten kunnen vertrouwen dat deze technologie veilig en verantwoord wordt gebruikt.
De nieuwe publieke voorziening moet daarom ondersteuning bieden bij het gebruik van verschillende AI-modellen, met afspraken rond privacy, veiligheid en gegevens. Een belangrijk doel is dat scholen niet volledig afhankelijk worden van één commerciële aanbieder.
Dat is een opvallende ontwikkeling.
Tot nu toe moesten scholen die met generatieve AI wilden experimenteren vaak zelf bepalen welke diensten zij gebruiken, hoe gegevens worden verwerkt en welke afspraken daarvoor nodig zijn.
Dat is ingewikkeld.
Een docent die een AI-tool gebruikt om een lesplan te maken, heeft met andere risico’s te maken dan een school die AI inzet om leerlingen automatisch te beoordelen.
Zodra leerlinggegevens, toetsresultaten of andere persoonsgegevens in het systeem terechtkomen, worden privacy en beveiliging veel belangrijker.
De nieuwe publieke voorziening moet juist voor dat soort situaties meer duidelijkheid bieden.
De overheid ziet AI inmiddels als onderdeel van de onderwijsinfrastructuur
De investering van €10,7 miljoen staat niet op zichzelf.
De Nederlandse overheid werkt tegelijkertijd aan bredere digitalisering van het onderwijs en aan nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid. De vernieuwde kerndoelen voor digitale geletterdheid moeten naar verwachting vanaf augustus 2027 wettelijk gaan gelden. Scholen krijgen vervolgens tot augustus 2031 om deze volledig te implementeren.
Dat betekent dat AI niet alleen een extra hulpmiddel voor leerlingen wordt.
Het wordt onderdeel van een bredere digitale vaardigheid die scholen kinderen moeten meegeven.
Leerlingen moeten leren omgaan met informatie, algoritmen en digitale systemen. In een onderwijsomgeving waarin generatieve AI steeds toegankelijker wordt, betekent dat automatisch ook leren begrijpen hoe AI werkt en hoe de resultaten ervan moeten worden beoordeeld.
Maar scholen zijn nog lang niet klaar
Juist daar ontstaat een probleem.
Uit de Staat van het Onderwijs 2026 blijkt dat het gebruik van generatieve AI door leraren in het funderend onderwijs nog relatief beperkt is. Ongeveer een kwart van de leraren in het basisonderwijs en een derde van de docenten in het voortgezet onderwijs gebruikt AI. Zij zetten het onder meer in voor lesplannen, het snel leren over een onderwerp en het beoordelen van werk van leerlingen.
Maar tegelijkertijd zegt een zeer groot deel van de leraren nog onvoldoende kennis en vaardigheden te hebben om AI effectief in het onderwijs in te zetten.
Bij basisschoolleraren gaat het volgens de Onderwijsinspectie om 88 procent, bij docenten in het voortgezet onderwijs om 80 procent.
Dat maakt de investering van het kabinet interessant.
Het probleem is niet alleen dat scholen toegang tot goede AI nodig hebben.
Ze hebben ook mensen nodig die begrijpen wat ze ermee moeten doen.
De AI-kloof kan daardoor een lerarenkloof worden
Een school kan beschikken over dezelfde AI-tool als een andere school en toch totaal andere resultaten bereiken.
Op de ene school kan AI worden gebruikt om leerlingen zelfstandig te laten oefenen, feedback te geven en kritisch te leren nadenken.
Op een andere school kan dezelfde technologie vooral worden gebruikt om werkstukken te produceren.
De technologie is identiek.
De pedagogische aanpak bepaalt het verschil.
Kennisnet constateerde eerder al dat bij meer dan de helft van de scholen en schoolbesturen AI nog niet in het beleid was opgenomen. Ook beschikte slechts een klein deel van de scholen over duidelijke richtlijnen voor het gebruik van AI.
Daarmee ontstaat een nieuwe uitdaging voor Nederland.
Als AI een structureel onderdeel van onderwijs wordt, kan het niet uitsluitend afhankelijk zijn van individuele enthousiaste docenten.
Er moeten schoolbrede afspraken komen.
AI-geletterdheid wordt een nieuwe basisvaardigheid
Daar wordt inmiddels ook concreet aan gewerkt.
Kennisnet heeft in september 2026 een nieuw raamwerk AI-geletterdheid voor het primair en voortgezet onderwijs gelanceerd. Het raamwerk moet scholen helpen om vast te stellen welke kennis en vaardigheden leraren en andere medewerkers nodig hebben om AI verantwoord te gebruiken.
Het raamwerk werkt met verschillende niveaus van AI-geletterdheid, van basisniveau tot gevorderd en expert.
Dat is belangrijk omdat niet iedereen in een school dezelfde rol heeft.
Een docent die AI gebruikt om een lesvoorbereiding te maken heeft andere kennis nodig dan iemand die verantwoordelijk is voor ICT-beleid of gegevensbescherming.
Maar iedereen moet ten minste begrijpen wat de belangrijkste risico’s zijn.
Ook de Onderwijsraad ziet dat het probleem groter wordt
De Onderwijsraad heeft inmiddels aangekondigd dat hij zijn eerdere adviezen over AI en digitalisering in het onderwijs gaat actualiseren en verdiepen.
Het advies, dat naar verwachting eind 2026 verschijnt, moet onder meer antwoord geven op de vraag welke collectieve randvoorwaarden nodig zijn voor een verantwoorde inzet van generatieve AI in het onderwijs. Daarbij gaat het onder andere om kwaliteit, autonomie, privacy en publieke waarden.
Dat is een duidelijke aanwijzing dat AI inmiddels wordt gezien als een vraagstuk dat het niveau van individuele scholen overstijgt.
De discussie gaat over de inrichting van het hele onderwijsstelsel.
De moeilijkste vraag blijft: wat moet een leerling zelf kunnen?
Daarmee komen we bij de kern van de AI-discussie in het onderwijs.
Als een leerling een AI-systeem kan vragen om een tekst te schrijven, een wiskundig probleem uit te leggen of een samenvatting te maken, wat moet de leerling dan nog zelfstandig kunnen?
Het antwoord is niet noodzakelijk dat leerlingen alles zonder AI moeten doen.
Maar scholen zullen steeds duidelijker moeten bepalen wanneer AI ondersteuning biedt en wanneer het juist het leerproces overneemt.
Dat onderscheid wordt steeds belangrijker.
Een leerling die AI gebruikt om een moeilijke uitleg nog eens in eenvoudiger taal te krijgen, kan daarmee juist beter leren.
Een leerling die AI het volledige denkwerk laat uitvoeren, kan een perfect antwoord krijgen zonder het onderwerp werkelijk te begrijpen.
Het eindresultaat kan in beide gevallen goed zijn.
Het leerproces is dat niet.
Daarom wordt beoordeling waarschijnlijk belangrijker
De opkomst van AI dwingt scholen ook om opnieuw na te denken over toetsen.
Een werkstuk dat thuis wordt gemaakt, zegt steeds minder wanneer een AI-systeem een groot deel van het schrijfwerk kan uitvoeren.
Dat betekent niet automatisch dat traditionele toetsen verdwijnen.
Het kan juist betekenen dat scholen vaker willen weten hoe een leerling tot een antwoord is gekomen.
Mondelinge toelichting.
Praktische opdrachten.
Reflectie op het gebruik van AI.
Het vergelijken van verschillende antwoorden.
Het controleren van bronnen.
Het verbeteren van een foutief AI-antwoord.
Allemaal kunnen ze zicht geven op vaardigheden die een gegenereerde tekst niet laat zien.
Nederland probeert nu een voorsprong vast te houden
De investering van €10,7 miljoen is daarom meer dan alleen een technologisch budget.
Nederland probeert een infrastructuur te bouwen waarin scholen AI kunnen gebruiken zonder dat iedere school afzonderlijk het wiel hoeft uit te vinden.
Maar de technologie is slechts één helft van het verhaal.
De andere helft bestaat uit leraren, schoolleiders, onderwijsbeleid en duidelijke afspraken.
De komende jaren zal moeten blijken of scholen die twee kanten bij elkaar kunnen brengen.
Want als AI straks net zo normaal wordt als een digitale leeromgeving, is de vraag niet meer welke school AI gebruikt.
De vraag wordt welke school het beste begrijpt wanneer AI het leren versterkt — en wanneer het het leren juist vervangt.
